Hi!

Dank je wel dat je mijn blog leest. Mijn naam is Sharon en ik wil graag waarde aan je leveren door mijn ervaringen met je te delen. Blogs over lijfgericht werken, systemisch werk, manifesteren en het beste uit jezelf en je business halen. Vergeet je niet in te schrijven om op de hoogte te blijven van mijn nieuwe blogs!

Inschrijven nieuwsbrief

Het is eigenlijk best lekker om boos te zijn

“Vertel, waar wil jij het in deze wandeling over hebben?”, vraag ik hem. Hij is naar de masterclass persoonlijk leiderschap gekomen om steviger in zijn schoenen te staan tegenover zijn medewerkers in zijn rol als leidinggevende. Het is de derde dag waarin iedereen de kans krijgt om nog een 1 op 1 gesprek te hebben tijdens een wandeling.

Zijn lichaam verandert. Hij kijkt weg, maakt zichzelf wat kleiner en komt wat moeilijker uit zijn woorden dan ik van hem gewend ben. “Ja dat vind ik lastig”, zegt hij. “Het heeft namelijk met jou te maken”. “En ik weet niet goed hoe ik het moet zeggen”. “Nu word ik wel heel nieuwsgierig met zo’n spannende inleiding”, zeg ik hem. “Ik krijg geen hoogte van jou” zegt hij terwijl hij wegkijkt. “Ik kan jou niet peilen”. “Ah zeg ik hem, dat is lastig” en ik hou verder mijn mond en vertraag mijn pas. “Wat ik mij eigenlijk afvraag”, zegt hij dan, “vind je mij wel aardig?”. Ik haal even diep adem en laat zijn verhaal van de afgelopen dagen nog eens passeren.

Een verhaal waarin hij vertelde over zijn gezin. Over zijn kleinere broer die gehandicapt is. Waarvoor hij zorgde en in een ouderrol stapte. Waarvoor hij een stap opzij maakte. En elk mogelijk excuus bedacht waarom de aandacht vanuit zijn ouders naar zijn broertje uit moest gaan en niet naar hem. Over het gemis in zijn ogen, het gemis om er ook te mogen zijn. En het schuldgevoel als hij dat hardop uitsprak.

In een volgende diepe inademing neem ik ook een moment om te voelen wat er met mij gebeurt wanneer hij uitspreekt dat hij geen hoogte van mij kan krijgen. Dit doet ook wat met mij voel ik. Juist ik vind het zo belangrijk dat mensen zich veilig voelen. Ik ken het gevoel zelf maar al te goed om me niet veilig te voelen. Mijn eerste reactie is gaan zorgen voor de ander. Maar besluit op hetzelfde moment het niet te doen, omdat het vooral mijzelf zou geruststellen.

“Ik vraag mij af of het je zou helpen als ik je een antwoord zou geven”. “Zou het bij je aankomen?”, vraag ik hem. “Ik denk het eigenlijk niet”, zegt hij dan.

Ik ga tegenover hem stil staan en vraag hem, “Kijk mij eens aan in mijn ogen”. “In wiens ogen kijk je dan echt?” “Van wie wil je zo graag de goedkeuring hebben?” Zijn wangen lopen wat rood aan. Ik zie in zijn ogen dat hij zijn antwoord heeft gevonden. Maar om deze uitreiking naar mij en naar zijn moeder, vermoed ik, hier en nu te doen, terwijl hij ooit heeft besloten het allemaal zelf te doen, valt hem zwaar. Liefdevol blijf ik hem aankijken. En dan zegt hij “je bent mijn moeder”. Samen ademen we deze woorden diep in en met een nog diepere zucht uit.

“Wat heb je zo gezocht bij mij de afgelopen dagen”, vraag ik hem. “Of ik wel ok ben” zegt hij. “Of je niet vindt dat ik teveel mijn verhaal heb verteld”. “Of ik niet teveel aanwezig was”. “Of je er wel in je volle potentie mag zijn”, vul ik hem vragend aan. “Ja” zegt hij bijna fluisterend. “Van wie wil je graag het antwoord”, vraag ik hem? “Van mij of van je moeder?” “Van mijn moeder” zegt hij dan. Ik voel dat hij zijn antwoord tot in zijn ziel voelt. Even zijn er geen woorden nodig, en we lopen samen in stilte verder.

“Eigenlijk ben je best boos op je moeder”, klopt dat? “Ja dat klopt, ik heb niet zoveel met haar”. “Maar je spreekt het niet uit, net zoals je het niet uitspreekt naar jouw medewerkers”, vraag ik hem. “Nee, dat klopt”. “Maar ze heeft het ook al heel druk”…..”met je broertje val ik in”. En dan kijkt hij mij even geïrriteerd aan. “Ja met mijn broertje”. “Maar dat is ook heel normaal”, zegt hij. “En het is ook heel normaal dat jij even moet wachten”, zeg ik hem. “Ja”, zegt hij. “Goed dan doen we dat”, zeg ik, en we lopen verder terug naar de training.

Even later zegt hij ineens in de groep. “Boos zijn helpt niet, het is verspilde energie, je hebt er niks aan”. “Dat is voor mensen die niet het vermogen hebben om zich op een andere manier duidelijk te maken”.

Deze reactie ken ik wel van hem de afgelopen dagen. Zijn kin wat omhoog en uit contact met zichzelf en daardoor ook met de anderen. Op een bepaalde manier klinkt het wat hoogdravend, alsof hij zich wat boven de anderen stelt.

“Kom maar even hier zitten”, zeg ik hem. Ik schuif nog wat dichter tegen hem aan en leg mijn hand op zijn been. Hij wiebelt op zijn stoel en kijkt wat verlegen de kring rond over de schouders van de andere deelnemers. Ik zie het jongetje van toen. “Waar moest jij zo je woede inhouden, terwijl je heel verdrietig was of boos”? “Thuis” zegt hij. “Heb je het ooit geleerd om boos te zijn?” “Ja”, zegt hij. “Ik geloof je niet zo”, zeg ik hem. “Zeg eens hoe irritant je dit vindt zo hier met mij te zitten voor de groep en volop plek, ruimte én tijd in te nemen”, vraag ik hem. “Nee dat is niet nodig”. “Doe het maar”, nodig ik hem uit. “Nee dat is niet nodig”, zegt hij weer. Ik schuif nog iets dichter bij. “Toe maar want ik zie aan je dat je boos bent”. “Je bent irritant”, zegt hij zacht. “Is dat het?” vraag ik hem. “Ja”. En met de minuut zie ik meer woede in hem opkomen. Maar hij blijft stil in woorden. Zijn lichaam verraadt de woede in hem. De woede en onbegrip van een klein jongetje dat ernaar verlangt om echt gezien te worden. Ik voel de snijdende en vergiftigende spanning maar ik wacht af. Samen met hem. Iets wat hij zo goed kent, totdat hij zichzelf toestemming gaat geven om plek in te nemen en duidelijk zijn grens te voelen en te uiten.

Intussen denk ik even terug aan hoe hij 2 dagen geleden binnenkwam. Enthousiast met een cynisch sausje. Hij leunde wat achterover met zijn armen over elkaar en gaf mij een uitdagende blik. Een blik van “kom maar op”. “Willen jullie nog iets over mij weten”, vroeg ik de groep. “Het mag alles zijn”. “Wat voor opleiding heb je gedaan”, vraagt hij. “En hoe lang doe je dit werk al en wat heb je allemaal getraind” ? voegt hij toe. Veel vragen om 1 ding helder te krijgen. Ben jij capabel genoeg? Maar die vraag stelt hij mij niet. Met een omweg probeert hij antwoord te krijgen op wat hij zo goed kent. Ben jij de ouder of ben ik het?

Dan ineens zegt hij woedend, “nu is het klaar”. “Ik schrik ervan” zeg ik en deins achterover. “Super dat je je grens aangeeft”. “En hoe kun je het nu zo doen dat je plek inneemt zonder alle grenzen los te gooien?” “Hoe geef je je grens aan zonder dat ik vertrek?”. “Zonder dat jouw collega’s vertrekken en bij je blijven in jouw verhaal?”. Met deze vraag kwam je binnen drie dagen geleden.

“Adem maar eens diep in en uit”, en probeer het nog eens. Dan zegt hij stellig en duidelijk, “ik vind dit heel irritant en ik ben hier klaar mee”. En met deze woorden ontspant de groep en hij ontspant mee. En dan begint hij te lachen en zegt “je bent echt irritant”, dank je wel! “”Eindelijk voel ik boos in mijn hele lijf, ik voel dat ik het heb weggedrukt en ik voel me bevrijd als ik het wel zeg”. “Het is eigenlijk best lekker om boos te mogen zijn”. “En hij begint nog harder te lachen”. Ook ik neem een diepe teug. “Dapper gedaan” zeg ik hem. “Wat spannend om dit samen te doen”.

“Ik wil je graag een opdracht meegeven”, zeg ik hem. “Wanneer je voelt dat je bevriest, spreek dan uit dat je het spannend vindt”.

Een paar weken later plopt er een mail op in mijn emailbox. “Dank je wel”, door die irritante oefening sta ik nu veel meer in contact met mijn collega’s en nog belangrijker, met mijzelf. Heb weer lol in mijn werk!

 

Hoe we ons verhouden tot anderen is hoe we ooit hebben geleerd wat onze plek is in ons gezin van herkomst. Onze plek als kind van onze ouders. Wanneer je als kind de plek van de ouder inneemt door voor je broertje te zorgen, verruil je je plek als kind in.

Later is het dan ook lastig om aan te nemen vanuit een verticale lijn. Bijvoorbeeld van je manager of dit geval van een trainer. Eerst zien dan geloven. ‘Ik weet het zelf beter, ik kan het zelf ‘

Wanneer er weinig plek was voor emoties, of bepaalde emoties er niet mochten zijn stoppen we met deze emotie te oefenen. Door bijvoorbeeld niet meer boos te zijn, maar een afgeleide te kiezen, kritisch of cynisch in het geval van deze man. En wanneer je met deze emoties nergens naartoe kunt omdat er op dat moment geen plek is voor jou stop je als kind met uitreiken naar je ouders. Anders gezegd, je stopt met vragen aan je ouders wat je nodig hebt. Je besluit het alleen te gaan doen.

Met het stoppen van deze uitreiking naar de ouder sluit je ook meteen jouw plek in het leven af. Jouw plek is namelijk de plek van kind van jouw ouder. Hierdoor wist hij ook niet goed meer zijn plek in een andere omgeving. Hij koos onbewust voor een ouder plek of nam zijn plek niet, in het aangeven van wat hij nu echt nodig had.

Het kind in hem verlangt nog steeds naar de aandacht en goedkeuring van zijn moeder. Ook al heeft hij ooit besloten het niet meer nodig te hebben. De ogen van zijn moeder vond hij terug in mij maar zal hij bijvoorbeeld ook terug kunnen vinden in zijn leidinggevenden.

Door te vertragen in mijn pas, door niet te willen, niet te werken of te doen, nodigde ik zijn ziel uit om in contact te komen met zijn lichaam. Zodat hij weer kon voelen langs welke pijn hij moest om weer in contact te zijn met zichzelf en met mij.

Nu hij weer bij zijn emoties kan en beseft dat hij de woede in zich heeft gehouden kan hij weer opnieuw echt verbinding maken met zijn moeder. Opnieuw zijn plek als kind innemen en daarmee een volwassen, autonoom en bevrijd leven leiden, zowel privé als in zijn rol als leidinggevende.